Hi, mijn naam is Dave. Ik ben 28 jaar en woon in Amsterdam.
Tot voor kort leidde ik een leven dat eigenlijk precies zo voelde als het hoort op die leeftijd. Ik werkte, sportte veel, was vaak met vrienden. Spontane koffies, etentjes, festivals in de zomer, ik was er altijd bij. Ik ben iemand die graag mensen om zich heen heeft.
Ik genoot. Van de stad, van het leven, van alles wat nog voor me lag.
Tot mijn lichaam langzaam begon te veranderen.
Eind september kreeg ik de diagnose non-Hodgkin lymfeklierkanker: grootcellig B-cel lymfoom.
Een vorm die vaak goed te behandelen is, maar bij mij liep het anders.
In deze serie neem ik je mee in mijn traject.
Wat er gebeurde. Wat het met me deed. En wat mij nog te wachten staat.
De start van de behandeling
Na de diagnose ging alles snel.
Ik werd overgebracht naar de oncologie- en hematologieafdeling. Nog volledig in shock lag ik daar ineens, tussen mensen die al veel langer in dit traject zaten.
Ik kreeg direct medicatie, waaronder prednison, om de tumor te remmen.
Een dag later begonnen de voorbereidingen voor de behandeling.
De tumor in mijn borst bleek 16 centimeter groot. Zo groot als een saladekom, zei de arts. Er was geen tijd te verliezen.
Er werd een biopt gedaan en een PET-scan om te bepalen om welk type lymfoom het ging en of het zich had verspreid.
Een paar dagen later kwam de uitslag: grootcellig B-cel lymfoom.
En hoe gek het ook klinkt, dat gaf ergens ook rust.
Dit was een vorm die vaak goed te behandelen is.
Tussen hoop en realiteit
Ik begon aan mijn eerste chemokuur.
Vijf dagen lang lag ik in het ziekenhuis, 24 uur per dag aangesloten aan een infuus. Deze chemo moest langzaam toegediend worden, continu.
De dagen waren zwaar. Je zit vast aan een paal, kunt niet vrij bewegen en je hele wereld wordt ineens klein.
Tegelijkertijd leer je mensen kennen. Jong en oud. Mensen die precies begrijpen wat je doormaakt. Dat gaf ook steun.
Langzaam begon ik te merken dat mijn lichaam veranderde.
Mijn gezicht zwol op. Mijn nek werd dik. Ik hield veel vocht vast door de medicatie en de druk van de tumor. Ik herkende mezelf niet meer in de spiegel.
Ik weet nog dat ik dacht: dit ben ik niet.
Het raakte me meer dan ik had verwacht. Ik was altijd best ijdel geweest, maar dit ging verder dan dat. Het voelde alsof ik mezelf kwijtraakte.
De kracht van mijn omgeving
Mijn vrienden en familie probeerden me erdoorheen te trekken.
Ze gaven me een digitale fotolijst waar ze elke dag nieuwe foto’s op stuurden. Foto’s van vroeger, van momenten waarop alles nog normaal was. Festivals, etentjes, vakanties.
Dat gaf me houvast.
Maar na verloop van tijd werd het ook confronterend.
Hoe meer mijn uiterlijk veranderde, hoe moeilijker het werd om naar die foto’s te kijken.
Op een gegeven moment draaide ik het lijstje om.
Ik kon het niet meer.
De eerste tekenen van hoop
Gelukkig gebeurde er ook iets positiefs.
Na de eerste chemo merkte ik dat ik beter kon ademen. De druk op mijn borst nam af. Mijn gezicht begon langzaam weer normaler te worden.
Voor het eerst voelde het alsof de behandeling echt iets deed.
Dat gaf hoop.
Als alles tegelijk tegenzit
De behandelingen zelf verliepen niet zonder problemen.
Tijdens mijn tweede kuur ging het mis. Door de druk van de tumor op mijn bloedvaten werkte mijn PICC-lijn niet goed. Midden in de nacht werd ik wakker in een nat bed. De chemo lekte uit mijn arm.
Dat moment vergeet ik nooit meer. De paniek. De angst dat het in mijn weefsel terecht was gekomen. Gelukkig bleek dat uiteindelijk mee te vallen, maar de lijn moest direct verwijderd worden. Daarna werd er een nieuwe lijn in mijn lies geplaatst.
Dat was allesbehalve comfortabel. Lopen ging moeizaam, liggen was zoeken naar een houding.
Ze noemden me later lachend “calamiteiten Dave”, omdat er steeds iets gebeurde.
Ik kon er zelf ook wel om lachen, maar het maakte het traject niet makkelijker.
De tussentijdse scan
Na twee chemokuren kwam de eerste grote test: de tussentijdse scan.
Ik had er vertrouwen in. Ik merkte dat mijn lichaam verbeterde. Minder kortademig, meer energie. Het moest wel goed zitten.
Samen met mijn vader en tweelingbroer zat ik in de wachtkamer.
Toen we werden binnengeroepen, voelde ik de spanning.
De arts begon met: “Goed nieuws.”
Op de scan was geen actieve ziekte meer te zien. De tumor was flink geslonken en de chemo sloeg goed aan.
De kans op genezing werd geschat op 85 tot 90 procent.
Voor het eerst weer vooruitkijken
Dat moment gaf zoveel opluchting.
Het voelde alsof ik weer kon ademhalen. Alsof ik weer vooruit kon kijken.
Ik moest nog vier kuren, maar in mijn hoofd was het duidelijk:
dit is een kwestie van afmaken.
Even volhouden.
En dan kan ik mijn leven weer oppakken.
Langzaam kreeg ik het gevoel dat ik vooruitging en dat het ergste achter me lag.
In het volgende deel deel ik hoe mijn herstel verliep — en hoe één uitslag alles opnieuw veranderde.



Vol houden hoor nog even ik had het zelfde maar ben er ook nog inmiddels 30 jaar geleden toi toi toi